Dieren op de balans

Drie pasgeboren tijgerwelpjes zijn afgelopen week afgemaakt in een dierentuin in Duitsland. Hun moeder bleek niet voor ze te willen zorgen. Eerder al maakte een andere Duitse dierentuin twaalf bavianen af. Er was geen plek meer voor de dieren en herplaatsing bleek niet mogelijk. Dierenactivisten spraken in beide gevallen van moord, demonstranten lijmden zich vast aan de grond en meerdere organisaties dienden een strafrechtelijke klacht in. De Nederlandse Vereniging van Dierentuinen reageerde terughoudend en benadrukte dat er ‘soms moeilijke keuzes worden gemaakt om de diersoorten gezond te houden en het welzijn van dieren te waarborgen.’

Hoe kan het eigenlijk dat een dierentuin, die drijft op de aanwezigheid van dieren, deze dieren zomaar afmaakt? Dat is toch een vorm van kapitaalvernietiging die een bedrijf onwaardig is?

Een blik op de jaarverslagen van Nederlandse dierentuinen geeft inzicht. Bij de Apenheul is ‘de dierencollectie op nihil gewaardeerd’. De levende have van Artis is voor een pro memorie waarde van één euro in de balans opgenomen. De apen, leeuwen, olifanten en stokstaartjes die de dierentuinen bestaansrecht geven, vertegenwoordigen dus geen financiële waarde. En dat is een goede zaak, zo drukte de directeur van de Apenheul me onlangs op het hart. ‘Daardoor ontstaat er geen handel in wilde dieren, en kunnen we altijd het belang van het dier vooropstellen.’ Dat klinkt sympathiek. Totdat een dier een last begint te worden en het doden ervan geen financiële gevolgen heeft.

In de veehouderij is het omgekeerde het geval. Daar staan dieren wél op de balans. Maar ook dat leidt zelden tot beter dierenwelzijn. Dieren zijn productie-eenheden met een marktprijs, afschrijvingstermijn en restwaarde. En zodra ze niet meer renderen, volgt de dood. Ik sprak een varkenshouder die een vleesvarken met een gebroken poot net zo lang aanhield totdat ze zelf de veewagen op kon lopen. Eerder is slachten niet toegestaan, en bij euthanasie op de boerderij ontvangt de boer geen vergoeding. ‘Dat is toch kapitaalvernietiging,’ verklaarde hij zijn beslissing.

Dus, of een dier nu géén economische waarde vertegenwoordigt, zoals in de dierentuin, of juist volledig gereduceerd wordt tot financieel object, zoals in de veehouderij, in beide gevallen blijkt het welzijn van het dier ondergeschikt.

In de Wet dieren is opgenomen dat ieder dier een intrinsieke waarde heeft. Dat wil zeggen dat een dier een waarde heeft, die los staat van het nut voor de mens. De economische waarde van de tijgers, de bavianen en de varkens vind je terug op de balans. Maar hoe kwantificeer je de intrinsieke waarde van deze dieren?

Ik zie drie mogelijkheden om de intrinsieke waarde van het dier niet alleen (wettelijk) te erkennen, maar ook praktisch te verankeren. Ten eerste: stel een onafhankelijke vertegenwoordiger aan in ieder bedrijf waar dieren een actieve bijdrage leveren aan het primaire proces. Van dierentuin tot varkenshouderij, van proefdiercentrum tot manege. Een vorm van personeelsvertegenwoordiging die het belang van het dier agendeert en verdedigt en dieren een formele stem geeft bij besluiten die hen raken. Iemand die afwijkingen vastlegt, verbeterpunten aandraagt en het welzijn zichtbaar maakt in rapportages. En hier, met behulp van de laatste wetenschappelijke inzichten, de dieren actief bij betrekt. Zo wordt de intrinsieke waarde van het dier vertaald naar permanente aandacht, toezicht en verantwoording. Ten tweede: geef werkende dieren een vorm van arbeidsrechten. Het zijn tenslotte geen objecten maar subjecten met belangen. De beslissing om de tijgerwelpjes en de bavianen te doden wordt dan een toetsbare handeling, zoals bij een ontslagronde waar het UWV meekijkt. En als een dier niet langer rendeert, zoals een ziek dier in de veehouderij? Dan is het aan een onafhankelijke bedrijfs(dieren)arts om te beoordelen wat nodig is, met het welzijn van het dier als enige criterium.

Ten derde: verplicht bedrijven om jaarlijks te rapporteren over dierenwelzijn, analoog aan het duurzaamheidsverslag. We weten wat dieren inleveren: uiteindelijk hun leven. Maar alles wat daaraan voorafgaat, wat ze hebben gekregen, waar hun belangen wel of niet zijn meegewogen, welke keuzes daarin zijn gemaakt, moet worden vastgelegd en openbaar gemaakt. Ook dat is een manier om recht te doen aan de intrinsieke waarde van het dier. Een dier dat meer is dan haar of zijn nut voor de mens.

(Dit artikel verscheen op 14 augustus ingekort op de opiniepagina van Trouw)

Marjolein de Rooij


gerelateerde artikelen