
Dierenwelzijn mag niet bepaald worden door de commercie

Dierenwelzijn mag niet bepaald worden door de commercie
Dit artikel verscheen op 26 januari op Joop.nl van BNN/VARA.
Zaterdag vond een opmerkelijk congres plaats, georganiseerd door wat in omvang de grootste vakbond ter wereld is. Maar de achterban was afwezig. Niet uit desinteresse, maar omdat zij vastzit op het werk. Letterlijk. Het gaat om dieren in de veehouderij.
Wie de veehouderij economisch analyseert, ziet een sector die draait op arbeid. Dieren produceren melk, eieren en vlees. Hun inzet is structureel, (vaak) langdurig en onmisbaar voor het verdienmodel. Toch ontbreken zij volledig in de institutionele inrichting van die sector. Ze hebben geen stem, geen vertegenwoordiging en geen onderhandelingspositie. In economische termen: hun belangen zijn structureel buiten de economische afweging geplaatst.
De kosten van het systeem – pijn, stress, gezondheidsproblemen en vroegtijdige sterfte – komen grotendeels bij de dieren zelf te liggen. Die kosten worden nauwelijks meegenomen in prijs, beleid of besluitvorming. Zolang dat zo blijft, is het rationeel voor marktpartijen om te optimaliseren op efficiëntie en schaal, niet op welzijn. Dat is geen moreel oordeel over individuele boeren, maar een analyse van prikkels.
Toch wordt juist aan diezelfde sector door de overheid gevraagd om de ‘dierwaardige veehouderij’ vorm te geven. Dat is bestuurlijk gezien inconsistent. In andere sectoren accepteren we niet dat partijen met het grootste financiële belang zelf de norm bepalen. De bouw bepaalt niet wat veilig is, de financiële sector niet wat prudente risico’s zijn. Daarvoor bestaan onafhankelijke normen, toezicht en wetgeving.
Ons congres Ethiek in de Veehouderij bracht ethici, dierenbeschermers, wetenschappers, dierenartsen en vooruitstrevende boeren samen om de veehouderij niet primair te benaderen als een technisch of economisch probleem, maar als een ethische vraag: wat vinden we aanvaardbaar om dieren aan te doen? Die vraag kan namelijk niet exclusief bij de sector worden neergelegd, hoe hard daar ook voor wordt gepleit door de betrokken partijen.
In andere domeinen begint beleid wel bij aanvaardbaarheid. Kinderarbeid, onveilige werkomstandigheden en milieuschade zijn niet verdwenen omdat ze vanzelf rendabel werden, maar omdat de samenleving grenzen stelde. Pas daarna volgde aanpassing en innovatie. In de veehouderij wordt die volgorde omgedraaid. Dat is problematisch, omdat systeemverandering zelden tot stand komt door partijen die het meest te verliezen hebben. Het gevolg is dat fundamentele ethische vragen – over fokkerij, scheiding van moeder en jong, chronische honger of genetische ingrepen – nauwelijks expliciet worden gesteld, terwijl zij de kern van het systeem raken.
Die vragen worden urgenter nu onze kennis over dieren is toegenomen. Wetenschappelijk onderzoek van de afgelopen decennia laat zien dat dieren emoties ervaren, sociale relaties aangaan en beschikken over een rijk innerlijk leven. Daarmee is het niet langer verdedigbaar om hun belangen buiten zowel morele oordeelsvorming als economische besluitvorming te houden.
Het probleem is niet een gebrek aan kennis, maar een gebrek aan institutionele vertaling. We weten nu veel meer dan toen we begonnen met intensivering van de veehouderij, maar handelen grotendeels hetzelfde. Dat leidt tot een groeiende kloof tussen maatschappelijke waarden en economische praktijk, en daarmee tot verlies aan legitimiteit van de sector.
Daar ligt een duidelijke taak voor het kabinet. Dierwaardige veehouderij kan niet worden overgelaten aan vrijwillige initiatieven binnen de sector alleen. Dat is bestuurlijk naïef en economisch inefficiënt. Wie serieus invulling wil geven aan een dierwaardige veehouderij, moet eerst de randvoorwaarden vastleggen: duidelijke normen, onafhankelijke toetsing en wetgeving die het belang van het dier expliciet meeneemt. Niet omdat dat makkelijk is, maar omdat het noodzakelijk is. Aanvaardbaarheid is geen bijzaak van het economische debat, maar de voorwaarde ervoor.



