
Welke landbouw is nog moreel verdedigbaar?
Welke landbouw is nog moreel verdedigbaar?
Het debat over de toekomst van de landbouw gaat vooral over stikstof, mest, innovatie en het perspectief van de boer. Zelden over het dier.
Terwijl onze kennis over dieren in de veehouderij de afgelopen decennia enorm is gegroeid. Koeien, varkens en kippen hebben bewustzijn. Ze onderhouden vriendschappen, herkennen oneerlijke behandeling en helpen elkaar, zelfs als dat niet in hun eigen belang is. Al die kennis lijkt onderweg naar Den Haag van de tractor gevallen te zijn.
De wet erkent dat dieren een waarde hebben die losstaat van hun nut voor de mens. De regering stelde bij de behandeling van de Wet dieren dat dit een appèl doet op de overheid om het dierenbelang te wegen. Een zorgvuldige belangenafweging, een kernwaarde van goed bestuur, is dus niet compleet zonder dat het dierenbelang expliciet wordt meegewogen.
Bij andere grote maatschappelijke vraagstukken stelden we die morele vraag wél eerst. Bij de invoering van gelijk loon voor mannen en vrouwen, ruim vijftig jaar geleden, waarschuwden politieke partijen voor de gevolgen voor onze concurrentiepositie. Bij de invoering van het minimumloon gebeurde hetzelfde. In beide gevallen besloot de politiek het economische belang niet voorop te stellen. Eerst werd de morele grens getrokken, daarna werden de economische gevolgen geaccepteerd.
Bij dieren in de veehouderij gebeurt het omgekeerde.
Een kitten of puppy scheiden van haar moeder vinden we pas na zeven weken acceptabel. Bij een kalf mag de boer dat bepalen, en dat gebeurt meestal direct na de geboorte. De gevolgen zijn wetenschappelijk vastgesteld: een verhoogde hartslag, de aanmaak van stresshormonen, en een koe die dagenlang luid naar haar kalf blijft roepen. Reageert het kalf daarop, dan maakt dat het juist onrustiger: meer pogingen om te ontsnappen, minder en onregelmatiger drinken, een hogere lichaamstemperatuur.
Dat we kalfjes dit iedere dag aandoen is geen bewust politiek besluit. Het is een praktijk die is meegegroeid met een steeds efficiëntere sector, en inmiddels zo vanzelfsprekend is geworden dat ze nauwelijks nog ter discussie staat. Het leed van kalf en moeder is in al die tijd nooit moreel geëvalueerd.
De wet verplicht de politiek de belangen van dieren af te wegen. In de praktijk gebeurt het tegenovergestelde: eerst wordt bepaald wat economisch haalbaar is, en pas binnen dat kader worden de kruimels onder de dieren verdeeld.
Voordat we bepalen welke kant de landbouw op moet, zouden we eerst moeten bepalen wat we het dier in de stal verschuldigd zijn.
Uiteindelijk komt het neer op één vraag: wat vinden we nog moreel verantwoord om hen aan te doen?



